Soms is er een gedicht dat terugkomt, zoals de zomer en haar
warmte, het hooiland en het ene biertje dat mijn

vader dronk, soms is er het afwegen wat belangrijker is, de
herinnering of het nieuwe vers, het strootje in zijn

mond, het achteroverliggen in het weiland, de handen achter
zijn hoofd of de liefde voor die denken doet aan

een lange wandeling waarbij steeds mijn vingers kriebelen in
zijn handpalm. Vaak zijn het dezelfde woorden

terwijl we iets nieuws verzonnen en misschien ging het wel niet
over hem, bleef de zakdoek met de geknoopte punten

wel achter aan de slootrand, is hij het niet die in de verte tuurt
en waren wij nergens, nog thuis omdat we te klein

waren en eigenlijk bang voor de afmetingen van dat enorme land
waarboven aan de rand zich donkere wolken vormden.