De pontbaas vraagt wat ik iedere keer te zoeken heb aan de overkant,
en ik denk aan iets of iemand in het gras, een schat,

madeliefjes voor een krans of een tamme eend met een half vleugeltje,
de oude fabriek die hier vroeger stond en waarin de man

met de camera in zijn hand en half op een vergane trap het verleden
vastlegde zoals hij eigenlijk al met de toekomst deed en

wat ik toen dacht en dat ik heel nodig een plas moest en ondertussen zit
de kapitein met zijn gezwollen voeten in een teiltje met

water en zegt dat het nu nog wel te doen is, de wolken hangen laag over
het kanaal en ik kijk mee op zijn scherm en zie hoe nauwkeurig

hij aanlegt en dan is daar die andere zijde, de fietsers die afstappen, een
rugzakje op het bankje en het wachthokje in scherven

en het glanzen van de snelweg in de verte en een schaap met veel te warme
vacht en mijn zwart-witte gympen op de zwart-witte zebra.