Een vrouw in een dikke trui komt nog even aanhollen met haar
identieke gekleurde hond die blaffend op de

pont stapt alsof het winter is en hij ons nog net op tijd gaat redden,
maar zwetend staan we in de wind tot de overkant

bereikt is, korte broeken, blote tenen, vanwege drie druppels een
stel in regenpak met een broodje in de hand,

twee fietsen die rammelend los blijven staan, onder de snelbinder
niets dan de elektrische aandrijving die het leven

zo gemakkelijk maakt. Op gewone zaterdagen is het alleen ik en
de kapitein, een nors praatje gaat heen en weer,

de zorgvuldigheid waarmee hij de plezierjachtjes afwacht, de bel
van de brug, de tijd op de accijnstoren altijd

hetzelfde, de koffie in zijn beker schommelend, een fietser die stopt
bij de zebra, zeventig stappen over de stoep, thuis.