De man van de bus wiens autolichten ’s morgens zo vriendelijk
leken te groeten, heeft nu een hondje en

sloft het blokje om, geen ouderen die op de plaats van bestemming
komen maar een beestje dat naar de lantaarnpaal

moet en zijn poot optilt en alleen de voordeur die open en dicht een
teken geeft, en alle handelingen van voorheen

zijn opgelost in een routine die veel minder aantrekkelijk is voor
zijn buurvrouw die hoog door de bomen hem volgt.

Hij is meteen jaren ouder en lijkt voortdurend te aarzelen alsof hij
weet dat er niets leukers meer komt, het is ook maar

een heel klein hondje dat niet eens rent of blaft maar mismoedig
het parcours verkent en bij iedere tegenligger achter

zijn baasje gaat staan en afwacht maar misschien springt hij bij
thuiskomst op schoot, ogen nat en liefde vanzelfsprekend.