Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: vriendschap (page 1 of 6)

ergens in het land

De heer T. is opnieuw afwezig. Terwijl de heer B. zijn bril afzet en
zo beter kan luisteren, beweert hij, zwaai ik naar hem,

hij zegt dat hij zijn ogen niet van me af kan houden, maar de schrijver
die ik opnieuw voorlees, herkent hij niet. Niemand

weet meer wie die man in tropenkostuum is, twee brillen op zijn neus
en het huis vol vooroorlogse waar, niemand

weet meer het gezicht op de omslag, het kind met de bruine ogen en
niemand zegt meer jaja als ik herhaal hoe lastig hij was

maar hoe lief tegelijkertijd, voor mij, zeg ik. De blaadjes vallen, zegt
de een. Ik begin opnieuw. Ze gaan helemaal op

in het verhaal en toch zullen ze volgende week niet meer weten wat
dat verhaal was. Schreef u zelf ook niet, vraagt

mevrouw de Z., dat kunt u ook een keer doen. Neem het in beraad,
zegt de heer P.  Hij is nieuw, dat kun je merken.

vooruitgang in het algemeen

Bij voorkeur hing ze over het hekje bij de glijbaan en rolde haar
sjekkies met één hand terwijl we over het leven

spraken en roddelden over de pappa’s van de vriendjes van onze
kinderen. Ze bleef altijd langer op het plein hangen

alsof ze wist wat ze bij thuiskomst zou aantreffen en de weg er
naar toe te lang was. Ik herken je, zegt ze nu,

aan je stem, zomaar schuift ze tussen mijn oude vrienden en laat
zich voorlezen en de confrontatie dat iemand van

mijn leeftijd daar al woont en zich de versjes van Annie vandaag
laat herhalen, is enorm. Onherkenbaar heeft ze

een fase overgeslagen, eentje waarin ik nog loop en naar huis kan
en met boek open de lengte van mijn voordracht kies,

mezelf ken in al mijn handelingen en de heer B. tegen zijn schouder
tik als hij zegt dat we deze temperaturen moeten dulden.

onze beste plek

Mevrouw de B. zegt dat ze al jaren wacht op een woning, ze
wil weer zelfstandig zijn maar ze krijgt de kans niet meer,

laat me je dit vertellen, zegt ze elke keer schel en steekt dan van
wal met een droef verhaal. Mevrouw V. zegt,

onverwacht fel, dat ze nu maar eens ophouden moet, bekijk het
van een andere kant, zo slecht is het hier toch niet

en wijzend op de groep rond hen benadrukt ze de vriendschap
en het vertrouwen dat opgebouwd is. De B.

staart over mij heen naar buiten. Het gaat onweren, zegt ze en
dat is het laatste voor die middag. Ik word er

niet goed van, zegt mevrouw V. mij in vertrouwen, die negatieve
houding. Zelf hoop ik iedere keer dat er geen

enorme huilbui komt, dat ze haar kleren aanlaat en mij de zinnen.
Jij bent in ieder geval droog over, zegt de heer T.

boven de rest van de wereld

Op een dag zat hij aan tafel en wees naar de kast er tegenover,
de deur piepte en ik liet de inhoud zien. Een van

de schriftjes nam ik uit de volgorde en hij las voor, jaartal niet
noemend, wel de onrust die ik ervoer. Zijn

grote hand lag op mijn woorden zoals die op mijn arm lag of
op mijn rug, licht duwend, en zijn mond bewoog

even traag als bij het afscheid nemen. Dan bladerde hij verder
en nam nog een zin en pakte ik uit de volgende rij

een ander exemplaar. Hij at nooit aan die tafel en nam nooit
plaats tussen anderen en ook zei hij nooit

of iets goed was of af, de stem bleef van eenzelfde diepte. Het
leek alsof hij samenvatte wat een leven lang

onzegbaar bleef. Dan stond hij op en leek groter dan anders,
bewoog die hand en die mond en liet de deur open.

hoe ik mezelf moet terugvouwen

Dames de B. en Z. zitten in de hal al te wachten, handen in hun
schoot. Mevrouw de B. zou later zeggen dat ze geen

idee had waarop maar ‘zij daar’, wijzend op mevrouw Z., nam
haar zomaar mee en gelukkig ook maar, stralend heeft

ze het over gezelligheid en de enkele goede dag die ze heeft,
vandaag! Na een kwartier moet ze huilen, het

is allemaal niet meer zoals het was en dat gaat gepaard met lange
uithalen, open mond en wegzakken in haar stoel.

Je moet je focussen, zegt mevrouw K., op dat wat wel leuk is en
dat doet de hele groep, ogen bijna dicht of priemend

in mijn open boek en ik doe natuurlijk hetzelfde. Het zijn mijn
vrienden geworden, ze kennen mijn vader, de heer

T. weet zelfs hoe het huis eruit zag waarin ik woonde voordat
ik dat deed en mevrouw V. deelt met mij haar kind.

iets moois

Zijn stem gaat gelijk op met die van de radio, zij kondigt iets
aan, hij raadt iets af maar de luisteraar weet niet

welk advies zij nemen moet, de klanken vermengen zich, er
piept een toon, hij neigt tot opleggen, zij tot

volume verhogen. Het is net als wanneer hij uit zichzelf gaat
schreeuwen, doet alsof de ander doof is of

in ieder geval behoorlijk dom, ze is te snel voor hem en ze
heeft nooit tijd en zelden belt ze zelf. En

genieten van een radio is er niet bij. Zijn drift komt door de
luidsprekers, ze zou hem in haar broekzak kunnen

doen en drie maal het dorp kunnen doorlopen en dan nog horen,
ze geeft op goed geluk antwoord, iets trilt in haar.

Als altijd is de stilte daarna overweldigend. Ze heeft iets gemist,
dat weet ze zeker maar straks belt hij weer.

het wil geen tekst

Ik las uit je boek en liep langs je laan waar alle bomen dunne
stammetjes waren en huizen elkaar opeens in de

kamers konden zien, en ik stelde je opnieuw voor aan de lezer
en allemaal dachten ze dat je misschien familie was

van die aardige man op de hoek die een winkel dreef in elektronica?
Of ook dat je tussen hen zat en ze jou allang kenden

maar niemand herinnerde zich de verhalen of de volle wuivende
takken uit eerdere jaren, zelfs niet toen ik de foto’s

die jij scheef en snel tussen de bladzijden had geplakt, in de hoogte
hield terwijl mijn duim en vinger op jouw ogen

drukten zodat je tenslotte zou knipogen of een beetje huilen, weer
zou leven kortom terwijl alleen het zien van

die armoedige beplanting je het einde zou aankondigen, van jezelf,
de beschaving, het ons en de vogels.

haar rug draait zich eindelijk

Ik dacht dat je naast me zou gaan zitten, met dat glunderend
gebaar van een opgetogen kind, me zou vragen wie dat allemaal
waren, al die mensen die zo zorgvuldig

op een rij gingen zitten, en waarom. Dat je me aan zou stoten
met een bungelende voet, ze waren veel te groot om ze rustig
te houden, zodra de muziek zou gaan spelen,

waar kwam het geluid vandaan, en je dan om zou draaien en
naar boven zou kijken waar een koor bijna van een balustrade
kieperde en probeerde gelijkstemmig te zijn,

het lukte net niet helemaal, of je zou je hand even op mijn knie
leggen, ik wiebelde misschien uit lichte ergernis. Je zou er gewoon
de hele tijd zijn, zo voelbaar aanwezig en niet,

zoals nu, tussen een erewacht naar buiten gedragen, meteen het
commentaar krijgen dat je zoveel geldingsdrang had en best wel
moeilijk was soms in de omgang, hoe lang kende ik hem?

En ik wou zeggen, lang genoeg of in ieder geval, niet zoals jullie
hem kennen, want dat is wat je denkt als iemand vertrekt die je
nooit eerder uitgezwaaid hebt, alleen binnengehaald.

vier honden en hun baasjes

Om dat te doen omdat je zoveel van hem hield: altijd luisteren
naar wat hij zei, kinderen let op roepend, al die

jaren onthouden wat hij noemde zodat je nu, aan het eind van dit
lange leven, kunt vertellen wat dat was – waar

hij woonde, werkte, naar school ging, hoe hij liep van huis naar
de zaak, wat hij deed en waarom hoewel je

het nooit precies begreep, wat hij spaarde, welke merken hij
aanschafte en hoe zijn familie in elkaar zat en

misschien ook wel, maar dat wist je eigenlijk niet zeker want
waar bleek dat uit, hoeveel hij van je hield.

En dan in de groep waarin je luisterde naar een verhaal waarin
al die feiten terugkwamen je vinger op te steken of

gewoon op tafel te roffelen en te vertellen dat jij ook omdat en
dan dat van die liefde die daarvoor gezorgd had.

er was geen sprake van enig vergrijp

Op het moment dat ik aan hem dacht, ging hij dood. Dat heb je
soms. Tussen de stormen in en de regen, dacht ik aan

fietsen en dan op de terugweg, maar ik ging nooit zonder afspraak
en ik had niet gebeld. Ik zou hem mailen, zo sprak

ik met mezelf af. Vanmiddag lagen er twee handgeschreven witte
enveloppen in de brievenbus, dat gebeurt zelden meer.

Kenden we elkaars handschrift eigenlijk? Twee brieven, de een
zei dat hij er niet meer was en of ik afscheid kwam

nemen, losse bloemen graag, de ander zei hee, ik ga er vandoor,
ik heb genoten, ik ben dankbaar, ik zie je in

gedachten, wie je was en wat je als waardevol zag, ik heb het
nagenieten en ik zal mijn tranen de vrije loop laten.

Blijf trouw aan jezelf. Goed, dacht ik eerst, en later waarom heb
ik je niet opgezocht op het moment dat ik aan je dacht.

 

(voor A.)

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑