Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: vriendschap (pagina 1 van 4)

dat hij verzamelde en schatten noemde

Lopend door het huis is alles opgenoemd, een inventaris
van de levende die met blikkerige stem in het

apparaat gestopt wordt, achter hem aan herhalen we de
route. Iets ruikt naar bederf, een oude zomer die

opgeruimd moet, er dansen vlekken op het tapijt. De leuning
van de trap hangt los. Zoals bij iedereen ligt

onder de nok van het dak het meest kostbare, tegen de
met paisley motief bespannen wanden staan

in rijen dik de kunstwerken, het lichtknopje bij de deur
zet hen allemaal in een eeuwige zon. Op

tafel een mapje voor iedereen, de kaart met naam maar
zonder datum steekt eruit. O mag ik een foto

waarop zijn haar nog zichtbaar, zijn wenkbrauwen nog
zwart en in boogjes opgetrokken, hij nog onder ons?

hoe laat er morgen gespeeld wordt

Hij viert het leven, vanmiddag, zegt hij, tussen vijf en
acht, en als ik ook kom hoef ik geen bevestiging

te sturen, er zijn is voldoende. Een laatste keer had hij
nog andere plannen, ik moest niet schrikken

maar omdat ik dat niet deed, ik knikte slechts, mag ik
erbij zijn. Volgens mij is er weinig verschil tussen

beide gebeurtenissen, alleen is het nu zomer en hangt
hij buiten lampions op en wiegen er zacht

reuze paraplu’s in verschillende kleuren. Hij zal zich
uit de keuken toveren en mij kleine hapjes

voeren, de wijn heeft nu ijsblokjes en insecten krioelen
uit protest aan onze voet, hij neuriet opnieuw

en ook zomaar dampen zijn ogen. Dit keer zal ik bloemen
meenemen, groot en roze en bijna open.

hoor maar hoe het niet echt klinkt

Dit keer mist hij niet het rijm in mijn verzen maar wijst
hij op het gebrek aan liefhebben, hij kan

nu eenmaal niet alles, hij is bijna aan het eind en hij moet
nog zoveel en hij heeft het nooit gekund. Dit

keer zijn er geen mankementen aan mij hoewel ik iets te
hard lach en teveel conclusies trek, geen restje

cake voor hem heb, de wijn lauw en de kurk verdwenen,
geen lichten aan doe en met deuren open hem

een akelig hoestje bezorg, deze avond is zijn leven van
liefde verstoken, zijn daar medicijnen voor?

Daarom zitten we in het donker, zeg ik, en met de lucht
van gemaaid gras door de kieren en zijn mijn

wangen warm tegen je bleek gezicht en leen ik je mijn
woorden, mijn rijmloze inhoud en mijn lach.

de kat haar staart

Er zijn geheime bestanden die geopend zich meteen weer
sluiten, het beeld op zwart, een kort plofje in

het aangesloten apparaat, een prullenbak die daadwerkelijk
haar inhoud verslindt, een bijtend monstertje dat

lachend vermaalt, er zijn onlogische combinaties van letters,
cijfers en leestekens waarachter namen schuilen

uit een verlaten wereld, herinneringen die ondeelbaar koud
voor ons staan, er zijn tijdelijke constructies,

noodoplossingen voor een dreinend kind, verzonnen mantra’s
die nooit eerder werden opgezegd, hoor maar

hoe het niet echt klinkt, en nog zijn er verrassingen die niet
werkbaar zijn, haar hoofd even op mijn schouder,

de zomer onverklaarbaar buiten, de dag opeens weer geëindigd
in zwevende handen boven een toetsenbord.

(de raadselen achter de schermen van Meander nog steeds niet
opgelost)

die ene nacht in de berm

Hij zou gebeld hebben om te vragen of het nog wat was,
ik had maar geboft met het weer, de regen

bleef uit, was het echt leuker om een ander aan te kondigen
dan mezelf en liep dat eigenlijk in goede

banen, en ik zou dan antwoorden op alles dat het mee viel,
weer en aantallen mensen en concentratie en

gehalte van de gedichten en mijn stem neutraal houden
zodat hij niet jaloers zou zijn dat hij er niet was,

nooit gestaan had, nooit komen zou meer ondanks alle
rondjes om in de nacht, het oefenen van zijn

stem, het tweede gedicht in dertien jaar, en toch zou hij
horen hoe vriendelijk de ontvangst, hoe warm

de betrekkingen, hoeveel zoenen op beide wangen en nog
eens, en de laatste regel willen horen:

o hou van mij zoals ik van jou en dan weer terug, omarm
mijn zijn, wijs mij de route, ontvang mij.

de figuur naast haar

Een vriendin die het laatste woord had, vindt hem daar.
Door de stad gesneld nadat hij

even niets meer zei. Zijn trap opgestormd, zijn deur los,
zijn lijf uitgewaaierd over tafel. Ik stel

me voor hoe verbaasd hij nog kijkt of misschien nog om
het laatste grapje lacht, hoe mooi eigenlijk

de afwezigheid is van pijn, op die ene minuut na, tergend
afscheid, langgerekt bedoeld om

ons te sparen. Zoals hij reisde, weinig bagage, opeens, de
dag van vandaag altijd morgen. Ook

zitten we weer naast elkaar, het hout donker, de geluiden
gonzend, het glas geheven en beweert hij,

stelliger dit keer, hoe mooi mijn ogen zijn en het leven en
mijn vader en alle keren dat we elkaar zien.

bij gebrek aan

Dit keer blijft hij hangen bij de foto’s in mijn werkkamer en
wijst, wie was dit en waarom daar, met hoe velen

waren wij, wie mist er, wat betekent dat beeld voor mij en
noemt hij lachende monden breed, gelijkenissen

overbodig, ordening van geen belang, kunst ondergeschikt, de
ruimte te klein voor twee personen. Hij zwaait

zijn handen zo dat ik elke keer even buk terwijl ik meekijk en
de perioden in elkaar laat vloeien alsof ik

film nu, een camera nog op mijn schouder, langzaam draaiend
in zijn beweging. Bij hem ligt alles op

de grond, de muren onzichtbaar door stapels boeken die trillend
leunen tegen de stilte, het licht in

vuile strepen geel, een geur van vochtige aarde en bederf tussen
de bladen waardoor de lens beslaat.

en zingt zelfs

Het zou zomaar genoeg kunnen zijn, zegt hij, en ik zeg
te snel dat ik het begrijp, nu moet hij het

uitleggen en mij vragen of het intuïtie is, dat van mij en
of het wel bij hem past dat besluit maar

ik denk alleen aan mezelf, ik ben terug op een plek die
ik lang geleden verliet en men heeft mij

opengedaan, naar binnengetrokken, gekust en voorzien
van kopjes thee met koekjes terwijl de

glazen wijn al op kamertemperatuur stonden en de kaas
al in plakjes bij het brood lag, gevoel, zeg ik,

en dat het helemaal niet erg is. Er is een balans tussen nu
en toen, hij kijkt me doordringend aan, ik

zal je er niet bij betrekken, belooft hij en dat het niet is
uit bitterheid of strijd. Hij lacht volop.

 

(voor A.)

het zijn de vrouwen die

Naast de enorme romige schotels vol gesmolten kaas en
en aangekoekte suiker, maakte ze mij

evenveel brieven als F. deed, want altijd als hij schreef,
berichtte ik haar en gaf zij haar mening en

adviezen. Dat deed ze ook bij X., de kabouter, de fotograaf
ooit opgenomen in de huishouding van het

hof of bij R. die niet de pen hanteerde maar in de telefoon-
cel stond voor de Dam. Tevens deelden we in

slobberkous en verwassen hemd twee gymoefeningen en
drie langspeelplaten, een jurkje met uitstaande

rok, roze, een geheim en vreselijk veel honger op tijdstippen
die nergens aangegeven stonden. Morgen

herhalen we alles behalve het strekken en rekken, rispen we
de liefjes op en likken de schalen leeg.

(voor L.)

de vragen van een medestander

Boven de gebakken kabeljauw die zwemt in een badje van
boter en fluweelzacht de aardappelpuree door

de mond laat glijden, vindt ze dat ik nu maar eens dit maal
moet beschrijven of misschien de

ober met zijn twinkelende vragen en perfecte aandacht en
niet weer het ziekmakend gemis dat zo

slecht bij onze witte wijn past en de kerstversiering die nog
flonkert vanaf de wenteltrap want natuurlijk

begrijpt ze het en herkent ze het maar ze viert het leven en
ook al is dat misschien alleen vandaag, de

wangen rood en de stem fluisterend, ik ben er nu en een
schrijnend gedicht kan ze morgen moeilijk

leuk vinden, toetje? vraagt ze en daar is de ober al met gul
versierde bordjes die maar een beetje wiebelen.

 

(voor T.)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑