In een tuin die altijd lijkt op die van mijn ouderlijk huis, dwaalt in
de nacht de dichter, de zwerver, de fotograaf, het

jarenlang liefje en mijn jongste en ikzelf, om uiteindelijk in een
keuken bijeen te komen waar lijsten hangen van

werkzaamheden die je aan kunt kruisen zodat je blijven mag. Ook
de achterdeur is altijd dezelfde plus de angst dat

vreemden binnenkomen en de deur niet op tijd op slot gedraaid kan
worden, mijn ouders zijn afwezig. Achterin de bosjes

een rookpluim, lege flesjes op de grond, een stuk van het roodgroene
hek en wat gedrein van een groep die scandeert en

fluit. Aan de binnenkomers vraag ik of ze hun stinkende kleren in
de bijkeuken willen gooien en zich willen wassen,

ook hun haren, zeg ik nadrukkelijk en dan slapen ze op de banken
in de huiskamer terwijl ik het kind draag tot boven.