Wat denk je, vraagt hij, kan er iets over mijn huwelijk in? En
dat hij natuurlijk niet de verkeerde moet bedanken,

wat staat er eigenlijk in een nawoord, jij weet het, daarom bel
ik jou, nee, nu moet je niet nog meer vragen

verzinnen, ik wil juist de antwoorden. Dat de fiets altijd rammelde,
wil ik zeggen, dat je altijd nog boodschappen moest

doen, dat je trui met uiennat geverfd was, dat je me je sleutels gaf
in het midden van de winkelstraat, gewoon in een

lunchpauze, dat je me de verstopplaats van de cognac liet zien, dat
de knoppen uit de bos bloemen waren geknipt, dat het

papier, elke boodschap, zo knisperde in je vingers. Ik zeg dat je zo
vreselijk overdrijven kon, dat je dat nog steeds doet.

Dat je mijn band plakte, dat je. Vertrouwen, zeg je, dat is het woord
dat ik zocht, kan dat op de omslag? Natuurlijk, zeg ik.