Mijn opgestoken vingers ziet u niet, mijn tranen ook niet, u
hoort mij niet vloeken, hoogstens verneemt u het

sissend en bijtend gefluister, het gestampvoet, mij in het voorbijgaan
en het missend rijm in mijn verzen. U merkt niet

mijn verslagenheid, mijn onmacht, mijn negatief oordeel over
en u weet niets van mijn liefde tenzij hier onder en

tussen de regels door, ik ben te keurig opgevoed en in vrijheid.
Alles was bespreekbaar maar niet alles was of is

voor iedereen want dat wat je schrijft, blijft immers voor altijd
en dan moet het waar zijn, zei mijn moeder altijd. En

één fantaserende, leugenachtige en bijna afwezige schrijver in
de familie was voldoende, terwijl die afwezigheid

natuurlijk het meest storend was. En toch weet ik zeker dat u mij
allang kent en om hetzelfde joelt en fluit, in stilte.