Soms rijdt er een auto voorbij waar hij dan, nonchalant sturend,
in zou zitten, de zonnebril in het haar, het

overhemd half losgeknoopt en zijn kleine, blote voeten nog schoon
op de pedalen, misschien zelfs even opzij kijkend

waar of ik dan bleef, een hand al bij het te openen raam of losjes
op zijn ene knie en later onderweg naar de baal

tabak die in de lege stoel naast hem lag, de cassette van gisteren,
het halve zakje drop. De mouw van zijn zomerjasje

tikkend tegen de chauffeursstoel, aan het hangertje achter hem,
om kreukels te vermijden en de indruk van

goedverzorgd en zeker knap in stand te houden, de schoenen op
de schone mat daaronder en sokken ineengedraaid

op zijn aktetas, en heel misschien een klein tasje met een banaan
erin en zakdoekjes voor het zweet onder zijn krullen.