Terug ging het langs het water, de wielen van de rolstoel door
de zachte berm, de molens langszij, vlaggetjes

onderweg. Ze had niet gebeld, dacht hij, alleen maar een kaart
gestuurd, en ze zou er niet zijn, niet achter een

taartje zitten en meezingen en armen in de lucht voor het hoera.
Er waren heel veel eendjes onderweg die bij hun

moeder bleven en soms was er een steen die vermeden moest
worden en soms veerde hij op van zijn zitting en

dacht gewoon verder te kunnen lopen, hij wist niet meer wie hem
duwde maar van een gesprek was geen sprake.

Bloesem overal, hoe oud was hij nu, hij zou veel liever omkeren
en weer voor het raam gaan zitten. Op de felicitatie

stond alleen haar handtekening, geen beste wensen of een kus, ze
was nooit goed geweest in het schatten van de juiste afstand.