Een vreemde is soms zoveel dichterbij dan een intieme vriend. Nu
weer is er iemand die beweert dat er een tentje stond

in de tuin van mijn ouderlijk huis, hij fietste voorbij en had gezwaaid,
het waren de jaren vijftig, jij, zegt hij, was er

nog niet. Er lagen zieke mensen de frisse lucht in te ademen vlakbij
het groenrode hek, ik denk aan de afstand die hij moest

afleggen dagelijks en dat terugzwaaien dat hij beschrijft en of er iemand
beter is geworden. Zo was er nog iemand die

ooit onder de notenboom had gezeten en spelletjes deed op het kleed
dat mijn moeder daar uitgespreid had, je had, zegt zij,

zo’n lieve moeder. Toen was ik er wel. Nu vertel ik over het huisje dat
midden in de tuin gebouwd is, hoe er weer een Amazone

op het grindpad staat, hoe de Japanse kers moest wijken maar alles van
toen verder in ere is hersteld en de vlag weer gestreken is.