De rijmloze vriend zegt dat hij er nog steeds niet goed in is. Hij
weet nog steeds niet hoe hij moet houden van,

of hoe hij het moet zeggen, niet dat hij het oefent want van een
kennis die verzen verzint zonder

onderlinge verbanden als rijm, houdt hij zeker niet. Hoe zit het
dan bij jou, vraagt hij. Niet dat hier overal

poëzie in zit, ik leg mijn hand op mijn hart, maak hem nog wat
thee, beweer dat het wel eens te weinig is, wat dan,

zegt hij, maar iemand die niets kan verwijt je natuurlijk niets. Die
is gewoon behept met onvermogen, fantasieloosheid,

kortzichtigheid en handicaps. Hij kijkt erg zielig. Achter hem in
het raam gebeurt van alles. Bijen van de ene

bijna uitgekomen tak naar de andere, kleine vogeltjes kwetterend.
Gewoon doen, zeg ik, of gewoon zeggen. Dat doe ik.