Bij buien als deze stond hij op het dak en speelde voor God. Dat
kostte weinig moeite, hij zwaaide met zijn armen

en stuurde de zwarte lucht de andere kant op terwijl hij dacht aan
dat meisje in het Noorden. Ik dacht aan jou zei hij

dan later en wilde je behoeden voor terwijl zij op de bedrand haar
ogen dichtkneep en haar oren toestopte en

natuurlijk bad. Dat allebei hielp een beetje terwijl ze zich niet kon
voorstellen hoe hij daar bleef staan in al dat

natuurgeweld en nooit bang was maar hij genoot, zei hij, van het
botsen van de natuurkrachten, van de extremen,

het verschil in temperatuur, het licht en geraas. Terwijl zij jeuk kreeg
aan ellenbogen en littekens en de volgorde kwijtraakte

en de tel en aan de koele keuken van haar ouderlijk huis dacht en
alles meenemen van waarde, bleef hij waar hij was, nog jaren.