Het zou toch zo moeten zijn dat de ochtend wat vriendelijker is
in de lente, dat de eerste lezer de buurman van

de straat hierachter is, hij die altijd gelijk met mij het licht aandoet
en dan als hier de eerste regels verschijnen zijn bus

start en nuttige dingen gaat doen, zijn vrouw nog in bed, de krant
nog uitgevouwen op tafel, zeven boterhammen,

zo stel ik me voor, in een trommeltje op zijn dashboard, de poes
met een aai achterlatend in de vensterbank, maar

nu het lichter is en bijna zonniger is het juist moeilijker om te doen
wat gedaan moet worden, ik heb het liever donkerder

blijkbaar en veel kouder, de lamp langer aan en handen warmend
aan de koffie, de wereld nog een geheim en de straten

nog onbegaanbaar en struikelend bijna de enige hier die ongezien
een poging doet tot begrip en aanraken en doorgaan.