Zodra er zich maar even een ramp voltrekt, is mijn grootste zoon
bereid met zijn donkerbruine glansstem het

apparaat in te spreken en mij dat alles goed komt. Niet dat we dat
op het moment suprême

kunnen horen want we vinden het riskant de vingers uit de oren en
ogen te halen en op het schermpje te

kijken maar het gebaar en de vanzelfsprekendheid is van een grote
liefde die zich niet openbaarde in

eerdere manlijke vormen (al is het Jezus Leeft van de allerjongste
soms erg ondersteunend), en herinneren we ons

de atechnische Zuiderling die met onverantwoorde snelheid naar de
druppende lampen aan het

bruiner wordend plafond kwam kijken en een föhn uit zijn kofferbak
haalde, kijk, dat hebben mijn langharige zonen nu weer niet.