De rijmloze vriend noemt een bos bloemen nog een ruiker, een pappa
een vader en vraagt hoe dat zit met mijn ouders,

de enorme tuin van vroeger en hoe hij als kind daarlangs fietste op weg
naar de grote school in de grote stad, hoe

hij een vrouw zag liggen in de theekoepel in de tuin, hoe ik er toen nog
niet was, hij heeft het over materie en verliefdheid en

neemt in mijn boomhut een andere hoek zodat hij opeens een schilderij
ziet dat weliswaar al twintig jaar in

mijn vertrekken hangt maar nu iets doet en gaat dan weer langs de boeken
in de kast, de boeken op tafel, alles dat beneden

op straat ligt, hij gebruikt woorden als bezit en gezichtsverlies, uitspanning
en vergeefsheid maar nog steeds rijm ik niet net zoals die

scheur in het doek van de schilder, de boom die voor een auto staat, en dan
ziet hij nog niet eens de achterkant, het kruis, de draden, de vlekken.