Het is zowel ontluisterend als ontroerend de mens te zien in zijn
warmte, met te grote blote delen en een

onwennigheid die in stroompjes van zijn voorhoofd loopt, botsend
tegen de ander en luid pratend, plomp en maar

zo zelden aantrekkelijk, voorbij trekkend in stromen van ongekende
hoeveelheid terwijl we zelf met bedekt lijf aan

de zijkant zitten, bijna alsof we hen tellen, onszelf beschermend tegen
deze inmenging, die sterker is dan de stralen van

de zon en waartegen we ons nauwelijks kunnen verweren. Beschut
door parasols en de bekende attributen, de kerk voor

ons, het kind tegenover ons, de maaltijd tussen ons in, het gesprek
steeds weer opnemend, een zuchtje wind in onze

richting, een hand in haar nek, de sproeten op haar arm, de pet op
tafel, de zonnebril eronder, nooit wijzend ontgaat ons niets.