Ze stift haar lippen in een hartvormpje, spuit haarlak rond haar hoofd,
zet haar bril er halverwege op en snoert haar regenjas

aan, ze draagt al jaren hetzelfde uniform, zomer en winter. Ze zit keurig
recht op haar fiets en kijkt niet op of om, ze zien haar

aankomen, ze houden in, ze sparen haar. Boodschappen in het mandje
voorop, portemonnee in de jaszak. Haar naam nog

een verkleinwoordje van iets liefs, iets dat een pappa zegt alvorens hij
haar op het voorhoofd zoent, iets dat ook te schreeuwen

valt als iemand boos op haar wordt. Haar echtgenoot schreeuwt graag.
Maar altijd is daar het hartje van haar mond, feloranje

dat nauwelijks opengaat en terugroept. Vandaar dat hij soms probeert
het eruit te slaan want er moet toch iets binnenin zitten.

Toch zit ze de volgende dag weer op die fiets, keurig rechtop. Alleen bij
het opstappen verraadt haar stijfheid die grote blauwe plek vanbinnen.