Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: vrouwen (page 1 of 11)

dat je eerst iets moest verzinnen

Er bleef een jongetje staan in een plas vanmorgen, een regenpakje
en laarsjes en een onverzettelijkheid die zijn moeder,

verder op de hoek met een ingepakte kinderwagen, tot razernij
bracht. Ze ging hem niet halen maar schreeuwde

terwijl hij met zijn ene voet cirkeltjes trok boven het water, het
was alsof alle schatten van de zee daar lagen, hij

zag een zeepaardje en een bijzondere schelp, een kwal misschien
en een kwijtgeraakt kettinkje en droomde van reizen en

heel ver weg zijn, verder dan die hoek die zijn moeder inmiddels
verlaten had voor een volgende. Heel aarzelend

verzette hij een been en toen nog een, zij vloekte nu maar bleef
staan en reed de wagen doelloos heen en weer.

Gelukkig was er geen sleurende arm, geen kletsende hand of ander
machtsvertoon, alleen een verloren toekomstbeeld.

hoe lekker warm ze daar lagen

Ze plukt het haar van mijn jasje, engelenhaar, zegt ze, omdat
het krult maar mijn stroblonde haar valt

recht naar beneden, kan ik daarom niet tegen die zachte en
dwingende aanraking van handen die

verzamelen en tegelijkertijd corrigeren alsof mijn moeder aan
de zoom van mijn kleding trekt in de hoop

dat het minder ordinair wordt, minder vol en minder zwart?
Ik wil niet voelen, zelfs al is het nauwelijks

en ik wil niet dat zij zegt dat ook zij haar verliest en naar de
grond wijst, ik wil niet delen en ik wil

het bestaan van engelen ontkrachten. Dan zegt ze nog iets over
de lengte en mijn schouders krimpen en op

straat denk ik steeds achterom te moeten kijken of zij me niet
volgt, kokette stappen die leeg en hol klinken.

een bevroren houding

Het is haar foto, ze heeft hem laten kijken naar een het vogeltje
maar dat vloog blijkbaar de verkeerde kant op, ze

weet niets van rechte horizonnen of andere juiste verhoudingen,
waarschijnlijk lacht ze zelf wat dommig of

steekt haar duim op, nagels puntig en lang en roze. Hij kijkt mij
niet aan, gelukkig ook maar. Ze heeft het

kraagje onder zijn trui omhoog getrokken en toen over de rand
gevouwen zoals ze hem uit een vreselijk verhaal

heeft gered en rechtop heeft gezet, hij was werkelijk in een zeer
slechte staat toen ze hem aantrof maar kijk nu

eens. Allemaal haar werk, ook die belabberde kleurkeuze, die
achtergrond, zelfs die vogel. Ik herinner me dat ik

bovenop hem zat en zijn pupillen donker werden terwijl de rest
vervaagde en tot honderd telde voordat hij kwam.

het snoer lichtjes

Omdat het Kerst is, gaat hij met haar mee naar het zaaltje waar
ze met haar vriendinnen vaak wegdroomt boven

de beelden uit andere verhalen, heel verstandig alleen maar
tussen half drie en vijf, en stelt zich, net zoals zij,

tien minuten voor aanvang in de rij en schuifelt dan voor de
beste plaats langzaam naar boven om ook, nog

voor de aftiteling begint, in het donker zelfs, af te dalen en de
beste plek aan de bar te bemachtigen want het drankje

na afloop is gratis. Het enige wat hij fout doet, is een kort
gesprekje aanknopen met de vrouw naast hem die

heus niet bij haar vriendinnen hoort, ze is zelfs wat ordinair
en er kruipt een tattoo onder haar hals vandaan en

hij lacht om haar, dat kost hem zijn toetje en nog wel een heel
bijzondere want het is Kerst tenslotte, slagroom!

de gewenste positie

Het onderwerp is uitgesleten zoals de handeling, glad als
een steen die te lang onder een miezerend straaltje

water heeft gelegen, met eenzelfde lichte glooiing waarmee
de rug overgaat in de bilpartij. Om te strelen

zo mooi en toch niet meer de begeerte opwekkend die het
vroeger deed. Ze ligt daar maar. Anderen

zien haar eerder, niet dat hij niet kijkt maar op het netvlies
staan voorgangers en niet eens keurig op een

rijtje en wat doet buurvrouw K. daartussen, zijn moeder of
het meisje in de melkwinkel van D., die nu

natuurlijk allang dood is. Alleen die beelden blijven, hij
schat zichzelf veertig of misschien twintig, kijk

hij had nog die enorme krullen en let op dat nonchalante
waarmee hij op haar ligt alsof ze er altijd zou zijn.

met tegenzin

Het weer is te slecht, zei ze, je kunt beter daar blijven terwijl
het koud noch nat was, niets dreigde, de lucht zelfs

bedrieglijk leeg en zij een zomerjurkje droeg waarin nauwelijks
nog de kreukels, ze had alleen maar

het hoofd hoeven uitsteken en door de opening om in de stof
te glijden die dansend langs haar ging. Hij

zei niets. Er zou altijd een waarschuwing volgen zoals moeders
die maken of de man op de radio die waterstanden

opdreunde, filevorming, omleidingen en hoe hoog de maan en
hij zou iedere keer rekening houden met

de temperatuursomslag in haar lijf. Zij nam een vest uit de kast
en deed alsof het herfst was, ze droeg binnenshuis

een muts, ze stapte in laarzen rond alsof de zondvloed gekomen
was terwijl hij op het droge naar de zwaluwen keek.

hoe oranje rood wordt

Ze hadden geen uitzonderlijke lijven, geen verblindende
schoonheid, ze waren niet jong en hun jurken

hingen doelloos om hen heen maar taal liet hen slingeren
om elkaars heupen, voeten wrijvend tegen

elkaar, haar dat glanzend omlaag viel, lippen stukgebeten,
herkennen tot het laatste moment. Niet

mee te kunnen daar en toen, spijt voor niet getoonde moed,
op de bank met een veldboeket waarvoor je

niet eens meer bukkend over de aarde naar haar toe kon.
Kamers die grenzend aan elkaar alleen

openden bij een klop op de deur, handen onder tafel, het
gesprek altijd afwendend, kijk hoe bijzonder die

ander is. De mooiste voor haar, altijd jong voor haar, het
laatste woord altijd voor haar, ook nu.

alleen maar jassen

Denkend dat hij goed voor me is, herhaalt hij dat ik goed
voor mezelf moet zijn, wie doet het anders,

roept hij. Ik dacht nou ja, misschien, jij. Terwijl hij adviseert,
samenvat alvorens ik uitspreek,

onderbreekt alvorens ik durf, lopen de tranen over mijn
wangen, leun ik tegen het

zachte van mijn stoel, donker al, naakt in al mijn zijn, zoveel
herfst buiten, zoveel bladeren onder mijn

slippende hak, zoveel eikels onder de fietsband, wegspringend
ploffend, takjes waar ik schrikkend overheen ga.

Ik loop naar de kapstok, trek mijn jas aan, vochtig nog en
stop bijna mijn blote voeten weer in de laarzen,

durf ik dag te zeggen en weg te gaan, zegt hij dat ik duidelijk
moet zijn in mijn afspraken, alle.

trage opvattingen

Het zijn de moeders die hun zonen claimen en uitroepen
dat hij nooit in staat zou zijn tot, hij heeft

wat problemen misschien maar ze zijn voorbij, er ligt
niets onder zijn kussen, zijn voedsel was vol

vitaminen en ze heeft altijd haar best gedaan, niemand
kent hem beter dan zij. Terwijl de zonen

allang voortvluchtig zijn, dekt zij de tafel nog en trekt
het laken recht, ze praat tegen hem, alleen

zij begrijpt hem en hoewel ze weet, ergens ver in haar
lijf, dat hij nooit wat terugzegt omdat hij

nooit echt thuis is, hangt ze zijn winterjas alvast klaar
en verwisselt de foto’s in het lijstje, hij

is immers zoveel groter gegroeid. Bij het stofzuigen houdt
ze steeds even halt voor zijn glimlach en lacht terug.

wat ik nu precies met kunst doe

Er zou nu een verhandeling moeten komen over het
wurgend moederschap, het ongrijpbaar

proces dat mannen wegzetten als bloeden van het hart
dat bij haar waarschijnlijk ook een andere

vorm heeft dan bij hem, we vermoeden een vierkantje
ergens halverwege. Er zou iets kunnen

volgen over de mooiste kunst ook, we verontschuldigen
ons nog een beetje en toegegeven, sommigen

giechelen irritant maar wachtend op een nieuw lid van
de volgende generatie is dat alles

toegestaan. Alles voelt als toen, doktersafspraak tot
natte bedden, witte vrouwen op verende

gympen, uitzicht op de ingang waar mannen nieuwe
voorraden leveren, een gesmoorde kreet.

 

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑