Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: vrouwen (page 1 of 11)

bij hem ook

Voor de telefoon was in zijn zwembroek nauwelijks plaats en
bovendien kon hij zo niet gaan zwemmen, er

verschenen bobbels op vreemde plekken en hij moest nu juist
niet gaan opvallen, zodoende waren er uren

verstreken alvorens hij haar kon berichten. Ze moest dat toch
begrijpen. Bij haar lag dat ding gewoon

op tafel, ze had minder verplichtingen dan hij, zo was dat nu
eenmaal. Op het toilet had hij soms een haastige

boodschap ingetoetst, zijn darmen speelden op, en ook wel na
de maaltijd als de kinderen even loom als hun

moeder in de hangmatten lagen en zachtjes wiegden, eten in de
zon maakt moe. Zij verzonnen sprookjes, hij

leefde er een, nou ja, tussen bepaalde tijden dan. Het werk ging
altijd door. Zo noemde hij de ander: werk.

met opengedraaide ramen

Als een nieuwsgierig kind komt hij heel dicht naar de lens en
kijkt, bijna scheel, mijn wereld in. Hij trekt haar

met zich mee en grijnst. Ik kan sproetjes tellen en zien hoe haar
wenkbrauwen smalle getekende streepjes zijn,

haar lippen bijgevuld zijn en getuit voor een oranje kleur die
het gezicht geel maakt. Bij hem ook. Er is iets

ondefinieerbaars veranderd en het duurt lang alvorens ik hem
terugvind, ik neig een stapje achteruit te doen,

een terras in de zon, het centrum van Z., weinig verkeer, een
blaffende hond, waarschijnlijk staat haar

gelaarsde voet op een riem van een klein opgewonden harig
accessoire, ligt er een peuter te slapen in

een hete auto op het dorpsplein, is ze vergeten de ramen open
te draaien, heeft ze hem dat allemaal niet verteld.

vertrek en vakantiebestemming

Alvorens te gaan, de ochtend vroeger dan anders, dronk hij
zijn koffie op de rand van het bed. Hij droeg alleen

zijn overhemd, blijkbaar wist hij van de files onderweg en
hoe hij mij instoppen zou, opnieuw. Dan vertrok

hij te laat, zij vloekte door de telefoon, ik mocht niet zwaaien
en bij de volgende bocht piepte het mobieltje

een spoedige terugkomst en dat ik maar moest genieten vandaag.
De herhaling was nooit een bezwaar, het

genot altijd even groot, de morgen zonnig, ik kon er een boek
over schrijven. Zoals iedereen zei hij dat hij

vereerd was, als hoofdpersoon en door die bepaalde rol, maar
lezen was lastig als het in het donker moest, het

licht van het apparaat maakte anderen wakker, bovendien kon
hij zich niet herinneren dat het zo gelopen was.

open einde en inwisselbaar

De heer S. zegt dat hij normaal liever televisie kijkt maar dat
ik het heel aardig doe terwijl mevrouw de B.

meent dat het wel wat harder kan, ‘schreeuw het maar uit,
meissie’ en niet vanwege het portie leed dat

ik voor hen in leuke verhaaltjes vat maar omdat ze hartstikke
doof is. Ze schuift zelfs door tot naast mij zodat

mevrouw V. haar vaste plek kwijt is, de heer R. onthutst de
verkeerde hoek neemt, mevrouw Z. van de

weeromstuit naast mevrouw T. belandt die ze echt liever niet
ziet (zou ze aan de etenstafel zitten, ze kreeg geen

hap naar binnen) en de heer W. in de andere zaal plaatsneemt
waar dames verontwaardigd doorgaan met

punniken, breien en kletsen vooral. ‘Mevrouw de B.!’ willen
we roepen maar ja, dat hoort ze nu eenmaal niet.

doelgericht

Alsof het de rode verf is die ik in mijn krullen spoelde, de massa
optilde en zo behoedzaam liggen ging en toch de volgende

ochtend verwachtte de lakens rood te vinden, zo drapeer ik het
lijf rond zijn laatste ingreep, de deken daar

bovenop, en denk aan schaduwen maar dan in kleur en leeglopen
maar dan op een verkeerde manier en de

witte was roze. Ik denk aan de vrouwen die mij hielpen en die
vroegen of ze in mijn verhalen zouden voorkomen

een volgende dag, hun handen sterk en warm, een moederschoot
tegen mijn uitstekend been, als altijd een

zoon daar aan het voeteneind, te jong en te knap om serieus te
worden genomen, en hoe ik hen toeschreef

de hoofdstukken over te slaan om meteen in de dichtste bomenrij
terecht te komen en het blikkerend zonlicht op de afrit.

dat je eerst iets moest verzinnen

Er bleef een jongetje staan in een plas vanmorgen, een regenpakje
en laarsjes en een onverzettelijkheid die zijn moeder,

verder op de hoek met een ingepakte kinderwagen, tot razernij
bracht. Ze ging hem niet halen maar schreeuwde

terwijl hij met zijn ene voet cirkeltjes trok boven het water, het
was alsof alle schatten van de zee daar lagen, hij

zag een zeepaardje en een bijzondere schelp, een kwal misschien
en een kwijtgeraakt kettinkje en droomde van reizen en

heel ver weg zijn, verder dan die hoek die zijn moeder inmiddels
verlaten had voor een volgende. Heel aarzelend

verzette hij een been en toen nog een, zij vloekte nu maar bleef
staan en reed de wagen doelloos heen en weer.

Gelukkig was er geen sleurende arm, geen kletsende hand of ander
machtsvertoon, alleen een verloren toekomstbeeld.

hoe lekker warm ze daar lagen

Ze plukt het haar van mijn jasje, engelenhaar, zegt ze, omdat
het krult maar mijn stroblonde haar valt

recht naar beneden, kan ik daarom niet tegen die zachte en
dwingende aanraking van handen die

verzamelen en tegelijkertijd corrigeren alsof mijn moeder aan
de zoom van mijn kleding trekt in de hoop

dat het minder ordinair wordt, minder vol en minder zwart?
Ik wil niet voelen, zelfs al is het nauwelijks

en ik wil niet dat zij zegt dat ook zij haar verliest en naar de
grond wijst, ik wil niet delen en ik wil

het bestaan van engelen ontkrachten. Dan zegt ze nog iets over
de lengte en mijn schouders krimpen en op

straat denk ik steeds achterom te moeten kijken of zij me niet
volgt, kokette stappen die leeg en hol klinken.

een bevroren houding

Het is haar foto, ze heeft hem laten kijken naar een het vogeltje
maar dat vloog blijkbaar de verkeerde kant op, ze

weet niets van rechte horizonnen of andere juiste verhoudingen,
waarschijnlijk lacht ze zelf wat dommig of

steekt haar duim op, nagels puntig en lang en roze. Hij kijkt mij
niet aan, gelukkig ook maar. Ze heeft het

kraagje onder zijn trui omhoog getrokken en toen over de rand
gevouwen zoals ze hem uit een vreselijk verhaal

heeft gered en rechtop heeft gezet, hij was werkelijk in een zeer
slechte staat toen ze hem aantrof maar kijk nu

eens. Allemaal haar werk, ook die belabberde kleurkeuze, die
achtergrond, zelfs die vogel. Ik herinner me dat ik

bovenop hem zat en zijn pupillen donker werden terwijl de rest
vervaagde en tot honderd telde voordat hij kwam.

het snoer lichtjes

Omdat het Kerst is, gaat hij met haar mee naar het zaaltje waar
ze met haar vriendinnen vaak wegdroomt boven

de beelden uit andere verhalen, heel verstandig alleen maar
tussen half drie en vijf, en stelt zich, net zoals zij,

tien minuten voor aanvang in de rij en schuifelt dan voor de
beste plaats langzaam naar boven om ook, nog

voor de aftiteling begint, in het donker zelfs, af te dalen en de
beste plek aan de bar te bemachtigen want het drankje

na afloop is gratis. Het enige wat hij fout doet, is een kort
gesprekje aanknopen met de vrouw naast hem die

heus niet bij haar vriendinnen hoort, ze is zelfs wat ordinair
en er kruipt een tattoo onder haar hals vandaan en

hij lacht om haar, dat kost hem zijn toetje en nog wel een heel
bijzondere want het is Kerst tenslotte, slagroom!

de gewenste positie

Het onderwerp is uitgesleten zoals de handeling, glad als
een steen die te lang onder een miezerend straaltje

water heeft gelegen, met eenzelfde lichte glooiing waarmee
de rug overgaat in de bilpartij. Om te strelen

zo mooi en toch niet meer de begeerte opwekkend die het
vroeger deed. Ze ligt daar maar. Anderen

zien haar eerder, niet dat hij niet kijkt maar op het netvlies
staan voorgangers en niet eens keurig op een

rijtje en wat doet buurvrouw K. daartussen, zijn moeder of
het meisje in de melkwinkel van D., die nu

natuurlijk allang dood is. Alleen die beelden blijven, hij
schat zichzelf veertig of misschien twintig, kijk

hij had nog die enorme krullen en let op dat nonchalante
waarmee hij op haar ligt alsof ze er altijd zou zijn.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑