Nog maar net was hij gewend aan het leunen tegen wat kinderfietsjes,
een krappe behuizing tussen ballen en stoepkrijt,

torens van karton en een spin in de linkerhoek, of hij werd meegenomen
door een vreemde in de verlatenheid van een station

’s avonds laat en dat na jaren veilig onderaan de trap hier te hebben
gestaan met alleen wat krasjes in het zadel, een

losse want nog in de ene fietstas en een bak voorop waar kunst en gezin
afwisselend plaatsnamen en een enkel vriendje dat het

wel spannend vond zo tegenover mijn machtige kuiten naar het strand
te worden vervoerd, licht hijgend en met de belofte

van meer, het rode gevaar, de brede banden die nauwelijks in een klem
geduwd konden worden en waarvoor bijna geen

plaats over was in de rij wachtenden tot nu dus, waarschijnlijk in een
vrachtwagentje met open bak en op zijn kant gegooid.