Het was een melding van niets, iets van zoveel graden onder nul en
hoe het morgen zou zijn, muts op, maar niet

doe voorzichtig, hoge stappen makend over het ijs waarschijnlijk en
net niet in het wak, ach jongen toch, geen kranten

onder je trui en wanten vergeten bungelend om je hals. Het was de
hand naar achteren steken maar niets voelen, niet

op elkaar gewacht bij de brug, de zon al weg en de kou bijtend, en
alles dat verlaten was zoveel warmer.

Ze zou hem nooit meer zien. Fotootjes hadden nog een wit kartelrandje
en wat viezige plakhoekjes zoals plas op een hoopje

sneeuw, een kwispelend hondje dat je achterna kwam. Zij zat met haar
rug tegen de kachel en blies wolkjes uit,

er zat een krak in de band van het album, donkerrood, ze speelde kiekeboe
door haar vingers gespreid over zijn krullen te leggen.