Hun namen te kalken in deze werkkamer, hun telefoonnummers
op de muren zoals ik me de aantekeningen

herinner rond de telefoon op de gang van de studentenflat en toen
al heimwee had naar een leven dat nooit

geleid was maar wat, getuigend van al die nummers, zonder meer
interessanter was dan het mijne. Rozige printjes

die aan een punaise hingen en me aanstaarden zoals de opgestapelde
afwas in een gezamenlijke keuken waar nooit

gegeten werd en torens van studieboeken die omvielen alvorens ze
gelezen werden, de peuken in het glas, weggeworpen

attributen als slipjes, condooms, sokken en hier en daar een briefje
en een raam dat open was blijven staan op de tiende,

met vaag een vlek op straat daaronder, en die ene bewoner die altijd
op alle deuren bonsde en begon te gillen.