De vrouw op de voorste rij zegt ooit verkering te hebben gehad met
iemand uit ons dorp, ze giechelt er nog steeds om,

het is een apart slag, zegt ze erbij, die mensen daar. Twee van hen staan
op het podium en de derde zit achter haar, nou ja,

zeg ik, ik woonde op het andere eind hoor. De beelden en de taal herken
ik en de giechels worden groter maar in niets

was mijn jeugd hetzelfde. Geen slingertochten door de omgeving en
geen heilige mis in de vroege ochtend, sloten werden

pas bereikbaar als ze dicht lagen en met kranten onder de trui en mijn
taal was altijd keurig en ABN en bewoners kwamen

pas in het zicht als mijn vader namens zijn kerk kerstpakketten uitdeelde
vanuit zijn auto. Het dorp was nooit van ons

en toch ben ik thuisgekomen dankzij de mannen op het podium en verzin
ik dat we met elkaar in dezelfde zandbak speelden, niet alleen nu.