Zij mocht rijden, het was maar een klein stukje, en zij doet het woord,
brood voor twee dagen, misschien drie, en

koffie voor nu en schuift alvast buiten op het terrasje aan terwijl hij, nu
aangeland bij het meisje achter de toonbank,

met iets zegt, zijn hand maakt een ruim gebaar en hangt aarzelend nog
boven de taartjes, zijn vrouw is naar binnen

gevlucht en leest de krant, zou er nog iets te bespreken zijn, zou ze een
opmerking maken over dat taartje dat hij

toch echt niet meer mag van de dokter of hoe onlogisch het terras tegen
de weg aangeplakt zit en waarom de bakkers

nu al pauze hebben en daar allemaal zitten te roken, en zou hij dan met
toegeeflijke blik knikken en de verte inkijken, de

overkant van de straat wellicht, en peinzen of hij vanmiddag nog een
telefoontje kon wagen naar die aardige collega van toen?