‘s Avonds kwam Paul pas. Stond op straat te roepen als een uil. Ik hoorde hem roepen als een uil, want geen enkele uil klinkt zo. Ik zat aan mijn huiswerk en dacht dat ik wel wat beters te doen had dan achter een man aan te lopen die op straat stond te roepen als een uil. Ik vond dat hij nu maar eens een beetje zijn best moest doen voor mij. Hij kon in elk geval eens bedenken dat ik bij hem weg zou kunnen gaan, dat mijn liefde niet vanzelfsprekend was. Want alles wat weg kan gaan kan zelf nadenken. En alles wat zelf na kan denken is de moeite waard. En alles wat de moeite waard is, vinden mensen leuk. En alles wat je leuk vindt, wil je graag bij je hebben. En alles wat je bij je wil hebben, wil je vasthouden en niet meer afstaan. Zo zat ik daar te luisteren naar de uil die geen uil was. En toen hij drie keer geroepen had, liep ik naar de spiegel, stiftte mijn lippen rood en rende de trap af naar beneden.

 

Charlotte Gneuss, uit Gittersee, vertaald uit het Duits door Sandra Jeurissen, Meulenhoff, 2026