In de verte is de lief nog een vriendelijk zwaaiende man die op
de hoek wacht tot ik overgestoken ben, een

stoel vrijhoudt naast hem en misschien alvast een taartje koopt,
een plan ontvouwt voor een nieuw project

en zijn handen strekt om dat hele lijf van mij opnieuw te ontdekken,
maar dichterbij is zijn blik grimmig, de oogjes

klein en venijnig, er is absoluut geen taartje te bekennen en een
project ben ik blijkbaar zelf en niets is daarvan

in orde, niets is zoals het hoort en hoewel dat lang aantrekkelijk is,
wordt dat allengs lastiger. Als je nu eens,

en beslist dat niet te herhalen, en dat nadenken van mij is ongehoord,
waarom weet ik niet wat mijn doelgroep is en

overleg ik niet, waarom kan ik niet wat langzamer aan doen en
hoezo is hij nu de boosdoener, zomaar ineens. Nou, zeg ik…