De hele tijd is het alsof er iemand bij me is, niet een logerend
kind of een vriendje maar de schaduw van de kat

of een vergeten knuffel onder de kast, iets dat opsteeg uit de kier
in de planken of binnenglipte door

de spleet van de deur, als snel het hoofd omgedraaid wordt,
wappert een jurk nog om de hoek, wenkt

een hand om toenadering, een natte voet die oplost terwijl je
kijkt, zomaar zou het kunnen dat

het mijn jongere zelf is omdat ik haar lees, haar handschrift in
een van de vele schriften, tekeningen in de

kantlijn, verkleurde lintjes tussen de bladen, gretig verslind ik
haar avonturen in een eerder seizoen,

wacht ik tot we samenvallen voordat het bedtijd is, mijn onderwerp
dat spookachtig toeslaat, wat sist en hinderlijk lacht.