Als we niet meer hoog stappend door de kamer hoeven, de was
vochtig over de stoelen, aarzelend een nieuwe

boodschap gehaald is, komen de volwassenen aan de beurt, de
mamma in een roze broek, slippers aan

blote voeten, een gehaakt truitje waardoor de sproetjes glanzen
en de zweetdruppeltjes, ogen die rollen van

verstandhouding met haar jongens en halve lachjes, afspraken en
verlanglijstjes en roddels over die van mij,

vijftig eurocent voor iedere keer dat ik die van haar dezelfde namen
geef als die van mij en dan boffen ze nog dat het niet

de dode poes is die ik roep, herinneringen die we moeten bijstellen
en sterke verhalen als bewijs en steeds weer willen

kijken door al die gaatjes in dat zachte truitje om te herkennen wie
ze was en hoe ze zo groot geworden is en toch nog steeds

mij.