Het is een foto van een stukje niemandsland of gewoon misschien
een achtertuin, gele struiken en een nietszeggende

lucht waar hij in schrijft, hier zit ik, zonder dat je ziet waar dat is
en wie of hij is. Alsof hij de schilder is die

graag met mensen praat maar ze nooit op het doek zet, L. (7) zegt
dat ze weg zijn of misschien wel dood en dat is

bijna hetzelfde. Er ligt wat afval in de tuin, er zou als je de boel
omdraait misschien iets duidelijk worden maar zelfs

een tekening van de allerjongste maakt het niet leuker. Hij weet niet
hoe het moet, zeggen we en zuchten. Hij probeert, zeg ik,

wel eens een schaap of een vis maar die zwemmen natuurlijk niet
op het droge en dus scheuren we alles in kleine stukjes

en gooien we zijn aandenken in de prullenmand en sturen een nieuwe
aflevering van onze Zwamneus door, met een staaf dynamiet in zijn

rechterhand.