Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: kunst (pagina 1 van 16)

presentatie 1e dichtdruk

Kunstenaar Piet Lont en dichter Joris Miedema presenteerden in de consistorie
van de Grote Kerk Alkmaar de 1e dichtdruk!

je kunsten

Ze is gek op aandacht, zegt het vriendje tegen de suppoost
die mijn capriolen in de zachte hut niet

kan zien, maar wel de verwoede pogingen van de fotograaf
mij te laten doen wat hij wil. De een bewaakt de

witte handschoenenbak en de plastic overtrek schoentjes en
eigenlijk ook mij terwijl ik zo aardig kleur bij

de heuvels in het kleinste magisch centrum dat weer in het
grotere in het nog groter hart staat, de ander

richt een niet geheel welwillend oog en vertraagd door de
techniek door een krappe kijkcirkel en klikt.

Mijn lijf glijdt door de tijd en botst tegen de hardere punten
die zich fier oprichten ver beneden dat

hart en omzeilt de wanden die haarzelf begrenzen, de mannen
kletsen erover hoe het resultaat te verkopen.

 

Magisch Centrum Amsterdam, Stedelijk, 14 juli 2018

dat hij verzamelde en schatten noemde

Lopend door het huis is alles opgenoemd, een inventaris
van de levende die met blikkerige stem in het

apparaat gestopt wordt, achter hem aan herhalen we de
route. Iets ruikt naar bederf, een oude zomer die

opgeruimd moet, er dansen vlekken op het tapijt. De leuning
van de trap hangt los. Zoals bij iedereen ligt

onder de nok van het dak het meest kostbare, tegen de
met paisley motief bespannen wanden staan

in rijen dik de kunstwerken, het lichtknopje bij de deur
zet hen allemaal in een eeuwige zon. Op

tafel een mapje voor iedereen, de kaart met naam maar
zonder datum steekt eruit. O mag ik een foto

waarop zijn haar nog zichtbaar, zijn wenkbrauwen nog
zwart en in boogjes opgetrokken, hij nog onder ons?

hoe laat er morgen gespeeld wordt

Hij viert het leven, vanmiddag, zegt hij, tussen vijf en
acht, en als ik ook kom hoef ik geen bevestiging

te sturen, er zijn is voldoende. Een laatste keer had hij
nog andere plannen, ik moest niet schrikken

maar omdat ik dat niet deed, ik knikte slechts, mag ik
erbij zijn. Volgens mij is er weinig verschil tussen

beide gebeurtenissen, alleen is het nu zomer en hangt
hij buiten lampions op en wiegen er zacht

reuze paraplu’s in verschillende kleuren. Hij zal zich
uit de keuken toveren en mij kleine hapjes

voeren, de wijn heeft nu ijsblokjes en insecten krioelen
uit protest aan onze voet, hij neuriet opnieuw

en ook zomaar dampen zijn ogen. Dit keer zal ik bloemen
meenemen, groot en roze en bijna open.

een andere invalshoek

Op het blote buikje van mijn kleinzoon zitten spetters
aardbei die onder een gulzige lach de zomer

prijsgeven, op mijn lijf zijn er witte vegen verf die op
onverklaarbare wijze altijd door de kleding

heen dringen als teken van nonchalance en eenzelfde
gretigheid. Ook rol ik nog even over het

laatste stukje vrije vloer, tussen het plastic met plasjes
wit, zoals hij nog even de stukjes fruit

over zijn velletje wrijft, beiden lachen we. Ik moet aan
mijn vader denken die in plaats van het onkruid

de bloemen schoffelde, het overdrijven dat elke schrijver
doet en het verwijt dat we niet serieus genoeg

zouden zijn. We hangen juist te veel aan het leven, als
een kind verwonderd over elk effect.

een hechte verbintenis

Er zijn twee onderwerpen, meent hij, waarover ik
bij uitstek kan schrijven in plaats van

langdurig en bij herhaling ze te benoemen in een
gesprek en het zijn toevallig die thema’s

die hij liever vermijdt, of nee, hij gaat ze niet uit
de weg, ze bestaan heus, maar hij maakt er

iets anders van, eigenlijk hetzelfde als ik maar dan
niet met woorden. Als ik nu hier kijk naar

het beeldmateriaal, en hij daar blijft in mijn poëzie,
dan is dat een nieuwe gesprekskeuze, een

andere invalshoek, jaja. Ik vat het een beetje grimmig
samen, veel binnenrijm maar verder een

uitgezakt broddelwerkje, nou ja, zwijgt hij, je moet
natuurlijk wel je best doen hè

een kind liet een fietsje liggen

Er zijn auto’s in het weiland, snelle bestuurders die met
raampjes open langs het riet stuiven, als

eerste bij het duin willen zijn, het appelgebak met slagroom,
de winderige attractie: de zee terwijl deze

fietser voortdurend afstapt, de verten neemt, de paarden
dichterbij haalt, gretiger dan anders.

Op de verzamelplek van kunst en schetterende mensen in
op elkaar afgestemde kleuren, grijs veelal,

neemt zij de tegengestelde route en het weerkaatste licht.
een bezoeker zet zijn zonnebril op om haar

te herkennen, de mooiste beelden komen echter van buiten:
de bomen wachten, er zijn rode wangen, losse

jasjes, blote benen en vermoedelijk reeds druppende ijsjes
in jengelende handen, kleverige neusjes.

rozen uit de kopieermachine

Er zijn van die dagen dat je uit je ritme geslagen wordt,
een nachtmerrie overdag, een bonkend geraas dat

over je trekt voordat je kunt bukken, glas uit een dicht
gelaten deur. Eerst doe je alsof er niets

gebeurd is, steken tellend in een onmogelijk patroon, je
handen om een brandweerauto die

erop uit trekt voordat de sirenes loeien, je kleinzoon aan
het scherm dat ‘meisje, meisje’ zegt omdat

er een pop was waarmee hij speelde, een kunstwerk dat
je vanaf zolder heel langzaam laat zakken op

de keukenvloer alvorens je zelf naar beneden komt. Dan
ben je pas in de late avond waar je in de ochtend

had zullen zijn. Je luistert zijn stem, deelt het ongemak,
hij lacht en zal zijn leven beteren, jij ook.

werkend op de akker

Overbodigheden bij die beelden haalt hij weg, rafels
zijn het, afleiding en onzin. Uren schuift hij

zijn vingers langs vissen in het water, zilverachtige
sporen, bloemen in een perkje, een fietser

dwars door de stilte, hij zet de camera opnieuw op
zijn onderwerp scherp. Het lint van

het leven, de ronde om de kerk, haar marmeren dijen.
In een klein doosje verzamelt hij de feiten

vervolgens, als ik nu maar dat doosje zorgvuldig bewaar,
toch zijn zomaar al die gekozen fragmenten

net zo teveel als al die woorden die ik in een papieren
pakje stop. Er zou geluid bij moeten

zitten, hartverscheurend, krijsend, of een jurkje dat mij
helemaal bedekt en een haan op de toren.

hazen zoek

De dichter heeft niet het podium nodig, niet het licht waarin
hij staat, niet het klappen van de handen tegenover,

niet de aankondiging waarmee hij grappend struikelt of de
korte buiging waarmee hij eindigt, de dichter

heeft de luisteraar nodig die aan dezelfde tafel zich verder
naar voren strekt en met zijn handen bijna

de kunstenaar voelt, de adem over zijn gezicht, het zweet
uit diens poriën en in eenzelfde beweging

zijn benen over elkaar slaat of balanceert op een voet om
zich dan weer met een ruk om te draaien naar

een bezoeker achter een paal, lamp, barkruk of familielid,
lachend of bijna huilend, ingehouden van herkenning,

pijn, verwondering, en dan hem aankijkend wacht op het
moment dat zijn tekst uit de ogen van de ander spreekt.

 

(bij Reuring breken we tegenwoordig het podium af alvorens
te beginnen; het gaat elke keer weer om de ontmoeting)

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑