In het handschrift met de open letters, regels dicht op elkaar,
komt ze de jongen tegen die als eerste zijn

handen om haar hoofd vouwt, vijftien zijn ze en ze staan op het
schoolplein en steken elkaars sigaret aan en hij

maakt een wijze opmerking over kennis vergaren en bedelt
ondertussen om meer en zij draagt een jasje met

een open rits waarin hij kan schuilen. Dat ze hem terugvond op
deze zomeravonden, de eerste met krullen en rook

die omhoog kringelt en in het geblokte overhemd blijft hangen
en onrust thuis bij de lucht die ze meebrengt,

wolken die zich samenpakken tot een bui, de laatste meters traag
fietsend en dan thuis meteen het dagboekje uit de

achterste en geheime la en het noteren, want ze wil schrijfster
worden, de vrouwelijke vorm nog, daar al en toen.