Ze lagen ver uit elkaar, zijn hand zocht nog wel de hare, ze hield
hem vast, maar het duurde tot de ochtend,

vogelgeluiden door het open raam, tot er iets van beweging kwam,
een ochtend die voorliep op de jaren erna waarin hij,

te oud, zei hij, alleen nog zijn rug strekte, haar armen groeiden en
vonden niets, alleen het spoor van zweet, en ze liet los.

Er zat een vogel op het dek, er hing de geur van het hooiland en
de broeierige warmte en heel vroeger, werken tot

de bui losliet boven de wei, water drinken uit een metalen fles die
bij het aanrecht steeds weer gevuld werd, grapjes met

haar vader die alleen toen donker bier dronk, jongens in gaatjeshemden
en onverwacht stoer en in de pauze de mand met

het geruite kleedje erover waaronder dikke boterhammen, zij die er
wel drie op kon, en dan even met ogen dicht languit.