Overdag is deze boomhut wachttoren, uitkijkpost, verschansing
en herkenningspunt, ’s nachts is het een betonnen kolos

die soms alleen door een oude vrouw bewoond wordt en tal van
spoken, ontsnapte beesten en koude. Waren het

eerst alle kinderen die een voor een het pand verlieten, nu zijn het
de omstanders in deze overvolle straat die

kiezen voor iets gerieflijks, een verre hoek, het badje in de achtertuin,
de auto of de overbuurman, een onbehaaglijke stilte

blijft over, alleen de beesten morren en strekken zich uit. Als het
zwart wegtrekt en de wind gaat liggen is iedereen

weer welkom, alsof zij een feestmaal aanricht en de geuren worden
herkend en allen honger lijken te hebben, grimmig

dan heeft zij zich omgedraaid en slaapt verder, onzichtbaar vanuit
haar vesting, bedekt door het bladerdek van haar tent.