Het gaat de goede kant op, zegt de bakker, maar hij bedoelt alleen
het weer, niemand durft te ontkennen of het

tegenovergestelde te beweren, ik neig tot extra broden en een tompoes,
een bijna-botsing met een bouwvakker in korte

broek, een achtervolging van een halve straat maar herinner me vooral
hoelang de stem al zangerig tot in de open deur blijft

hangen, hoe vriendelijk de bakker nog de groeten doet aan mijn moeder
en hoe hij zwaaide als hij langs mijn atelier liep, komend

uit de gymzaal verderop, een handdoekje over de schouders, en laatst
nog vroeg hoe het met het schilderen ging, en dat

ik dat zo liet, voortaan was ik de wat morsige schilder die twee taartjes
kocht hoewel mijn moeder maar een muizenhapje nam

en wie dan was er over, en ik zei en zeg niets over hoe ik van de herfst
houd en meen dat er alleen maar slechte kanten bestaan.