In alle vroegte zit een oude vrouw op perron 15 met ogen dicht
te zingen, hoofd wat achterover naar de

Heiland toe, ze doet me denken aan de nicht van mijn vader die
na elke dienst naar voren kwam om de dominee

de hand te schudden, dichterbij God kon ze niet komen. Ze rook
naar de eau de cologne van mijn oma en haar jurk

zat altijd scheef, afzakkende kousen en een streng grijs haar die
slordig op de rug hing. Soms vraag je je af op wie

je lijkt. Terwijl ik haar snel passeer, klimt een man met ijsmuts op
voor mij de coupé in, een boodschappentas op

wieltjes achter zich aan trekkend, een geur van stront zoals vroeger
op de boerderij. Soms ontkom je niet aan je afkomst

en aan de toekomst evenmin, ik overweeg mijn haar kort te knippen
terwijl ik oefen met Er ruist langs de wolken.