Is het om een geheim te bewaren of het bewijs dat ze leeft, is
het als gesprekspartner of wil ze overzicht, het

schrijven in dikke blauwe schriften, een touw eromheen? Een
doos met daarop het adres Dagboeken voor het

gewone volk en een straat die zij verzon en steeds de vraag in
de kantlijn aan de lezer, is zij nog duidelijk, is

zij beter dan gisteren, is zij niet saai en voorspelbaar? Is haar
taal wel de onze? En de lezer zucht en worstelt

zich door een handschrift dat per stemming verandert en telt de
jaren, leeft ze nog, hoeveel dozen zijn er nog,

hoeveel meters touw heeft ze gekocht en had ze het niet beter
voor iets anders kunnen gebruiken, en hoewel het

onverwachts zal zijn, hoopt zij op een geluk, een meevaller, een
kans, een zachtheid die iedereen troost, een gouden term.