Haar stem klonk heel duidelijk, ze riep me zoals we onszelf soms
roepen als er iets engs gebeurt, iets onverwachts,

midden in een droom, in iets huishoudelijks dat overzicht nodig
heeft, bij het ingehaald worden door iets snels of tijdens

een bui met veel gekraak en licht, het was alsof ze naast me stond
en we gingen zelfs kijken, de vertrekken leeg,

het huis koud, de ramen donker maar ze was nergens te vinden en
toch, dat heldere, hoge geluid, niet van toen ze klein

was maar zoals ze nu is, zingend en in fluweel en met twee lokjes
langs haar oren bungelend, met rouge waarin glitters

schijnen en dunne ranke polsen die een glas hooghouden en met
ogen die uit zichzelf stralen. In de brievenbus veel

later lag een klein pakje, ze was de zee overgestoken blijkbaar en
had aan mij gedacht, forever young stond er op een kaartje.