Hij was nu beslist ergens anders. Hij kon niet zeggen of hij nog zweefde of zat. Het kwam hem voor dat hij onderweg was naar iets en ergens moest aankomen. Er streken flarden lucht tegen hem aan, er waren ijle witte wolken, er hingen pluimen rook. Ergens heel diep van binnen kwam de gedachte dat hij iemand moest waarschuwen, dat hij zijn moeder moest zeggen waar hij naar toe ging, dat er een bezorgdheid zou zijn als hij niet vertelde dat hij op tijd terug zou zijn. Ze zou de aardappels over de tafel gooien en doen alsof de mand gescheurd was. Ze zou opstaan en langer zijn dan ooit, het lijf angstaanjagend wit, de haren los, en het vel pakken van zijn arm en dan dat tussen twee vingers draaien.

uit hoofdstuk 3, Bestsellers (werktitel)
het manuscript gaat vandaag naar de uitgever