Bij haar komst schreef ik dat ze een stip was ergens aan de horizon of
een schip (het handschrift bijna onleesbaar en van

digitaal verkeer nog geen sprake) op volle zee, ze brak in ieder geval
voor ons de massa en verbond twee mensen die

heel even, zo leek het, samenvielen; later was het alsof je in een stralende
zomer, zo zei ik, de zon aanschouwt, je

hebt je zonnebril vergeten maar kan niet anders dan blijven kijken naar
Haar. Ik gaf haar een hoofdletter, zij

mij het voorbeeld, een eerste briefje achter dit scherm midden in de muur
vol foto’s, lief mammaatje, staat er en zo

schrijf ik maar door. Dat deden we beiden, o dat we nooit zoekraken, dat
we nog altijd naar de horizon en de zee turen

en elkaar ontdekken. Nog steeds til ik haar even op zodra ik haar zie en
slaakt ze een gilletje en maak ik een rondje met haar.