Al die gesprekken die je met jezelf voert, van onderweg naar
hier of tegen de muren of gewoon alleen in je

hoofd, als een bal die kaatst tegen een blinde muur en niemand
die er last van heeft, dat vloeken dat je doet,

dat net naast de tafel plaatsen van dat ene mooie schoteltje, die
tere bloemetjes nu in schilfertjes roze/wit, dat

opeens haarscherp weten hoe een verhaal verder gaat, wat er
vroeger onder die deken lag, die kriebelende te

warme deken, dat half zachte en toch zo besliste spreken dat echt
niet lijkt op het geneurie van nicht B. terwijl ze

halverwege het gangpad bleef staan en bijna een buiging maakte,
voor iedereen eigenlijk behalve voor haarzelf,

dat onuitgesproken vertoon van iets dat ergens achter bleef haken,
een hand die langer dan de zijne en zoveel warmer is.