Zomaar door de nevel heen te glippen en tot voor zijn raam te komen
en dan naar binnen te kijken en hem

als de stad opnieuw te vinden, zich langzaam onthullend, te zien hoe
hij zich aankleedt, hoe traag het grijs de

gewone kleur krijgt van het dagelijks leven, daar was het rode licht,
we stopten op tijd, daar kwam de zon uren later,

daar was de afslag naar het pand waarin ik werkte, daar zaten de vrouwen
al aan de koffie, daar waren de studenten die

met hun pasjes om de hals zich toegang verschaften, daar ging het gesprek
over pluizig haar alsof er buiten echt niets

te zien was, en perioden tussen de tentamens door, een acht, ik ga voor
een acht, zei de een en opeens waren er weer

boten te zien in het water en kleine figuurtjes aan de kade, het roodwitte
lint voor de verbouwing, terwijl de verte onbepaald bleef.