Drie rozen liggen naast de, door de regen, schoongespoelde steen
waar tegenover ik hen groet, dag jongens, zeg ik

en dat ik lang weggebleven ben, sorry, en ik kijk alleen maar naar
de namen en vergeet wat ik wilde zeggen of

niet vergeet maar als ik me voorstel hoe ze daar liggen en dat wat
er misschien nog van ze over is en hoe bloot en

koud en dat wat er over hen heen kruipt, maakt het immers niets uit
wat ik beweer, dan buig ik maar even en sla het

teken en pak de rozen op die uit elkaar vallen in mijn handen en
doe het deksel van de dichtstbijzijnde groene bak

open en verlaat de plek en loop de straat af van de herinneringen
en smalle randjes en gevaarlijk fietsen en

kom niemand tegen aan wie ik vertellen wil hoe het gaat, zelfs niet
later op de harde bank van familie die verjaart.