Er liggen kruisbessen in een bak, zo groot als meloenen, dat parmantige
steeltje in het midden, de lijnen in het zachte groen,

een vrouw achter de kraam met een schort voor en handen in de zak voor
haar buik, een sliert mensen twijfelt en loopt

langzaam, het sissen van stroopwafels op het ijzer verderop en het lied
dat de koopman aanheft waarin de prijs schuilgaat,

een oude buurman met het haar op de schouders, helemaal wit en licht
dansend, (vroeger noemden we hem de Rooie)

en verder gaat het weer, groenten van het land, brood uit de schuur en
het dialect van de streek, een langgerekt praten zoals

deze stoet en het dorp zelf, alvast aan het volgende gegroeid alsof men
elkaar bij de hand houdt en straks dansen gaat,

jurken aan een touw die onder de zeildoeken wapperen en een klein meisje
dat een kinderwagen meetrekt waarin een hondje zit.