Schrijven was altijd een pleidooi voor de liefde, een loyaliteitsverklaring
en onafhankelijkheidsteken ineen, een

manier om los te laten en te hervinden. Vaak met een persoon in het hoofd
die nog niet overtuigd was van het geheel en nog

op de ouderwetse manier, met de hand, in een enveloppe en dan maar hopen
dat het adres niet verregende en we terecht

zouden komen onder een strikje onder in de kledingkast, met zo’n vage geur
van kamfer en herinneringen aan een voorjaarsschoonmaak

waarbij we dan op een hoopje achter in de tuin in het vuur belanden van de
ijverige bewoner, een stille morgen zonder wasgoed

aan de lijn. Schrijven was altijd het overbruggen van de afstand, het zoete
liedje van suja, suja en hopen op vrede. Dat is natuurlijk

niet veranderd. Afstanden worden alleen relatief en verlies ook. Het weer
is mooi, we blijven hier niet lang, tot later.