Op straat botsen we tegen de heer K., nu met looprekje en hoed,
alvast in winterjas en zonder boodschappen maar

af en toe opkijkend, bijvoorbeeld na zo’n zacht stoten dat we doen
en bijna met een zoen. Kermisganger was hij,

met foto’s van draaimolens op een andere plek, in trommels met
koekjes zoals zijn vriendin die graag at,

wafeltjes met zo’n zacht bestoven bovenkant. Op sommige dagen
kwam ze mee, steevast met een slinger om

haar hals, zo een die je krijgt als je aankomt op Hawaï of misschien
bij het raak schieten in een standje vol zinloze

attributen, het maakte haar zoveel vrolijker dan ze was. Neemt hij
nu zijn hoed voor ons af? Zit om zijn lippen nog dat

witte poeder van haar traktatie? Pardon, zegt hij, maar herkennen
doet hij niet, weet u hoe laat we dicht gaan?