Nu hij weer kan fluiten voor het open raam en zomaar op welk
tijdstip dan ook hier naar binnen kan, nu hij

de cake nog warm kan proeven en in de hal even kan leunen tegen
welke deur dan ook, nu hij elke boodschap samen

kan doen en bij mij in de koelkast kan zetten, dat kind dat veel
vaker dan de andere terug kwam of eigenlijk

helemaal nooit vertrok, zijn geruststelling altijd zingend in mijn
telefoon, zijn krullen torenhoog en al van verre

zichtbaar, is alle vergeefsheid opgelost, alle moeite van weleer,
zegt hij wat heerlijk eigenlijk en goh alsof hij in

tussentijd in een ander land gewoond had terwijl het maar de volgende
hoek was, ik kan je zien zonder dat ik hoef

om te lopen, ik zag je deuren openen daarnet, vind je niet dat ik
heel mooi kan fluiten, en grijnst hij mijn lach.