Zoals een klein kind zijn ogen dichtdoet en dan denkt dat hij
onzichtbaar is, zo bewegen we ons door het

licht en de donder heen, door de hitte en de boomhut, door de
toeristen op de markt, klein van afmeting en

zo snel als we kunnen, door deze hete straten en het lege voetbalveld,
het badje van de buren, de vuilnis op de hoek, de

gesprekken van onderweg, over de zebra, dwars door de winkel,
door alles dat we voelen, zo vergeefs, door

al die jaren heen, tot we een knipoog proberen die uitloopt in een
grijns en onszelf weer voelen, botsend tegen een

hoek, hem, het geluid van een startende auto, een kind op het balkon
van vier hoog, een insect dat jengelt bij de open deur,

zo duidelijk als wat, een rookwolkje boven ons, handen vol van dat
wat we bewaren moeten en moeten wegleggen voor dat het valt.