Soms is er niemand in dit betonnen blok. Geen deur slaat, geen
voetstap roffelt over de treden, geen sigaret

aangestoken halverwege. Er klinkt geen gebed, geen liedje, geen
kind en toch lijken we voorbereid op een enorme knal,

een ineenstorten van alle etages, de boomhut ontmanteld, wij in
het gras ver beneden. Met open mond alvast wachten

we het noodlot af. Soms blijft de mobiel dagen stil, er zijn zeker
vakantiebestemmingen, stijve vingers, andere

gewoonten, kwijtgescholden rituelen, we zijn vervangen wellicht.
Soms is het geluid van stilte door de open balkondeur

hetzelfde als een trillende vlaag van warmte, een dekbed weggeschopt,
een aankondiging van regen. Alle boeken zijn opeens

gelezen. Heel in de verte verschijnt alsnog een bewoner, we ruiken
benzine van een draaiende motor. Een klok tikt.