Steeds meer vouwen de bladeren zich om de boomhut, lijken haar
op te tillen en mee te nemen naar boven, de

huizen verdwenen, het blauw in vlokjes nog in de toppen, wat witte
vogels aan de stammen, wat scharrelende honden

diep beneden haar, wiegend wordt ze verstopt op dit einde van de
wereld, iemand tekent haar de zon in de rechterbovenhoek,

een vliegtuig verbindt de punten, geluiden zakken steeds meer tot
de bodem, een glijbaan zoekt ze zich en dan

met een langzame gil een nieuwe positie, misschien ook laat ze los
en zweeft ze naar de kerktoren om bovenop de spits

het land te overzien, ze beiert mee met de klokken, kinderen wijzen
naar haar, er zijn vreemde bezoekers die door de

ramen vliegen en niet stoppen, het groen van de lichtste soort, pluimen
van bloesem die steeds groter worden, een roze van vroeger.