Amir wilde kruiden telen op mijn balkon voor al die heerlijke
gerechten uit zijn thuisland en hij wilde dat

zijn manuscript in onberispelijk Nederlands zou verschijnen als
het bewijs dat hij er nog was maar nu elders,

hij wilde erkenning voor zijn verzet en vlucht en spreidde zijn
geknakte vingers, liet de littekens zien,

blauwe plekken die ook in zijn regels zaten, gaten in zijn beschadigd
hoofd, gecombineerd met het zangerige

en in gebedstoon verzonken beeld van dat land en die mensen daar,
hij wilde dat ik zijn grootvader leerde kennen, zette

me onder de dadelboom en citeerde zijn familie, hij kocht een pak
en zette een hoed op maar voelde zich nooit

vrij, nooit thuis, altijd tekortgedaan, altijd alleen, hij kende nog niet
mijn buurman en de gezangen die door de vloer omhoogstegen.